Tweede waarschuwing: strijd op Wikipedia

Lullen als Brugman, totnogtoe zonder gehoor, HELP!

Vanaf eind november (2013) ben ik actief op Wikipedia. Meer dan 50 nieuwe lemmata heb ik sinds die tijd geschreven; hoofdzakelijk over (vrouwelijke) sieraadontwerpers, al heb ik ook onder meer Gijs Bakker, Ruudt Peters, Onno Boekhoudt en Evert Nijland nieuw ingebracht. Een tweetal lemma’s is ondertussen verwijderd (Galerie Rob Koudijs en Galerie Louise Smit), omdat het om reclame zou gaan. Een derde, Galerie Ra, staat op de nominatie voor verwijdering. Waarom? Reclame: daar doet Wikipedia niet aan. Lees daarom vooral even het lemma supermarkt en waar u uw boodschappen doet. Hoezo geen reclame op Wikipedia? Waarin verschilt Galerie Ra van Albert Heijn? Het is mij een raadsel.

Bewerkingen kunnen op Wikipedia ongedaan worden gemaakt. Ik heb dat herhaaldelijk gedaan; alleen als delen van mijn bewerkingen ongedaan gemaakt werden, zoals de vermelding van exposities in galeries. Dit ontaardde in een wikiwar (oorlog) en kwam mij op een tweetal waarschuwingen te staan. Een derde waarschuwing is fataal: dan mag ik niet langer schrijven of muteren.

Het kost me onderhand meer tijd te strijden voor het behoud van voornoemde lemmata (en de vermelding ervan met betrekking tot tentoonstellingen in lemmata over sieraadontwerpers) dan het schrijven van een nieuw lemma. Zie daarvoor de (non)discussies gevoerd onder de laatste drie kopjes op mijn overlegpagina (https://nl.wikipedia.org/wiki/Overleg_gebruiker:E.Doornbusch#Galerie_Louise_Smit) en kijk vooral ook even naar de bewerkingsgeschiedenis van het lemma Katja Prins. Op Wikipedia is het kennelijk taboe Galerie Rob Koudijs als tentoonstellingsgelegenheid te noemen (en als je volhardt veroorzaakt dat oorlog, ja). Spijtig en wat mij betreft totaal onzinnig. Graag ontvang ik hulp deze waanzin te bestrijden: meld u aan op Wikipedia en laat weten waarom galeries van onmisbaar belang zijn in de wereld van sieraadontwerpers!

Hieronder treft u mijn laatste verweer aan tegen een Wikipediaan die van mening is dat ik ongewenst en vandalistisch opereer ten aanzien van vermeldingen van exposities in galeries van bijvoorbeeld Galerie Rob Koudijs en Galerie Louise Smit.

Beste Agora,

Helaas lees ik in uw tekst niets anders dan dat de zaken zo zijn omdat u het reeds eerder aan mij zou hebben geschreven; ik vind dat een weinig opbouwend commentaar. Spijtig dat u niet op mijn verweer en vragen in wenst te gaan. En ook spijtig dat u mij voor een tweede keer heeft kunnen laten waarschuwen voor praktijken waar mijns inziens niets mis mee is. Ik maak daartegen bezwaar. Ik wil bijdragen aan Wikipedia en kennisnemen van de mores, maar u lijkt jammergenoeg niet van zins mij wijzer te maken omtrent de regels betreffende de door u aangemerkte ongewenste reclame. Vermelding van tentoonstellingen van kunstenaars in internationaal gerenommeerde galeries hebben weinig van doen met de door u, als een stotterende en zichzelf repeterende hagepreker, aangemerkte bezwaren van ongewenste reclame. Gaat u, of de gemeenschap, ook zo te keer tegen de vermelding van galeries van bijvoorbeeld Charles Saatchi of Paul Andriesse? Of Albert Heijn? Nee? Wat is het verschil met Galerie Rob Koudijs, Galerie Louise Smit of Galerie Ra? Ik zou het graag weten om mij aan de geldende conventies te houden. Nergens (met uitzondering van uw weinig opbouwende commentaren) heb ik kunnen lezen waarom een tentoonstelling in een galerie niet op Wikipedia vermeld zou mogen worden. Ik draag graag op constructieve wijze bij aan Wikipedia op het vlak van sieraadontwerpers en acht daarbij de vermelding van een handvol (Nederlandse) galeries onontbeerlijk. Dat (bestaande) galeries geen eigen lemma mogen hebben vanwege reclame vind ik vervelend, maar kan ik nog begrijpen (al vind ik het trouwens lastig te rijmen met lemmata over nog levende kunstenaars die uiteraard evenzeer een commercieel belang hebben, maar die belangen worden kennelijk, doch gelukkig, wel geaccepteerd op Wikipedia). Ik zie weinig verschil tussen conservator (museum of galerie) en kunstenaar; de één bestaat niet zonder de ander. Dat (bestaande) galeries in het geheel niet op Wikipedia genoemd zouden mogen worden vind ik onaanvaardbaar. Het doet geen recht aan de lemmata over de kunstenaars die soms of vaak dankzij galeries zijn doorgebroken. Die kunstenaars zijn niet zo maar na hun opleiding in museumcollecties terechtgekomen. Het oog en de kennis van de galeriehouder zijn daarbij onontbeerlijk geweest. Dat u dat niet wenst te weten vind ik best, maar het lijkt me sterk dat de gemeenschap daaraan geen enkel belang hecht. Graag zou ik daarom meer stemmen horen uit de gemeenschap dan alleen de uwe, die mij zouden kunnen wijzen op de (on)wenselijkheid van vermelding van tentoonstellingen in galeries. Leren en bijdragen doe ik graag; reacties zijn meer dan welkom!~~~~

Advertenties

Museum Kranenburgh; alsjeblieft geen poëzie op de plee

ElseBerge[1]

Else Berg

Op 12 november is het uitgebreide Museum Kranenburgh te Bergen (NH) heropend. De in de bossen gelegen villa is verrijkt met een aanbouw door Kraaijvanger. De nieuwbouw is vooral van binnen fraai en functioneel. Om niet te concurreren met de voorliggende villa bestaat het boven de grond uit slechts één bouwlaag. Het gebouw verdiept zich ondergronds waar één grote witgewande tentoonstellingsruimte is gerealiseerd die daglicht vangt via een vide. De travertijnen beplating aan de buitenzijde van de nieuwbouw is wat mij betreft minder gepast. Waarom is er niet gekozen voor baksteen? Dat was vast goedkoper geweest en bovendien meer omgevingseigen.

De nieuwe publieke voorzieningen zijn riant; het restaurant is ruim en biedt uitzicht op de tuin en de omliggende bossen. De winkel heeft een groot assortiment, zoals gebruikelijk bij veel gerenoveerde en uitgebreide musea. Ook is er een auditorium gerealiseerd waar onder meer concerten worden gegeven. Evenementen en commercie worden helaas steeds belangrijker voor musea om geld binnen te harken en bestaansrecht te behouden. Een idiote ontwikkeling in mijn ogen -musea zijn van oorsprong instellingen met een conserverende en wetenschappelijke taak- maar helaas noodzakelijk in dit land waar cultuurdiscussies over zwarte Piet gaan en niet over behoud van bedreigd tastbaar erfgoed. We hebben toch genoeg feestzalen, waarom zouden musea zich daarvoor moeten lenen? Ik vind het ronduit gevaarlijk feestend publiek te ontvangen te midden van onvervangbare objecten.

De tentoonstelling met werk van aan Bergen gerelateerde kunstenaars is rijk en gevarieerd; er is werk te zien van onder meer Charley Toorop, Else Berg, Leo Gestel, Lucebert en Simeon ten Holt.

Toiletbezoek vond ik dramatisch; de toiletten waren prima uitgerust -daarover geen klachten- maar al plassend getrakteerd te worden op door Ramsey Nasr voorgedragen poëzie van Rutger Kopland over gemiste zonen als gevolg van een loopgravenoorlog vond ik te indringend en hoogst ongemakkelijk.

Henk Helmantel in het Rijksmuseum?

museum-expositie-vrouwen-van-de-revolutie-11[1]

Ljoebov Popova, 1920, Vrouwen van de revolutie, t/m 18 augustus 2013 in het Groninger Museum

Afgelopen weekend heb ik zowel het Drents Museum als het Groninger Museum bezocht. In Assen waren Russische realistische schilderijen te zien en in Groningen expressionistische en abstracte werken van Russische schilders, verrassend mooi en interessant werk in beide provinciehoofdsteden. In Assen was het zaterdagmiddag 18 mei 2013 druk en raakte ik buitengewoon opgewonden van het woest wijzende, veel te dicht voor de grote schilderijen poserende en flitsende publiek. Ongestoord kijken was er met de daaruit voortvloeiende bezorgdheid niet bij. Complimenten uitgedeeld aan de zaalwacht die nota bene een wild gesticulerende rondleider verzocht wat meer afstand tot de schilderijen te bewaren.

Een dag later in Groningen was het rustig en prettig kijken. Ik vraag me af hoe dat kan. Trekt abstract werk ander publiek dan realistisch? Of is het misschien een gender kwestie? In Assen hing voornamelijk propagandistisch werk van mannelijke hand, in Groningen waren de schilderijen van uitsluitend vrouwelijke makelij.

Als kijker zie ik objecten het liefst bloot, dat wil zeggen: niet achter glas. Als erfgoedbewaker echter heb ik publiek toegankelijke objecten het liefst achter kogelvrij glas, je weet nooit wat voor gekken voorbij komen in openbare instellingen. Ik geloof niet meer in (kunst)educatie en grote bezoekersaantallen; het zegt niets over kwaliteit. Groot publiek is schadelijk voor kunst.

Ten slotte vind ik het doodeng dat musea worden afgerekend op bezoekersaantallen. Krijgen we straks alleen nog realistische kunst voorgeschoteld? Henk Helmantel in het Rijksmuseum?

Stop Stanley Bremer: geen experimenten met geliefd en publiek verzameld erfgoed!

2012 867

Guimaraes, Portugal

Rotterdam bevriest alle plannen rond verkoop van de Afrikacollectie nadat een Amsterdamse zakenman zijn plannen bekend heeft gemaakt in de hoofdstad een museum te stichten voor de onder meer door Rotterdamse burgers bijeengebrachte verzameling etnografica om zo het behoud van de stukken veilig te stellen. Mijn fantasie slaat op hol.

Afstoten of verkopen is zo onherroepelijk, daarom moet ik er weinig of zelfs niets van hebben. Als er ook nog veel geld bij komt kijken, 60 miljoen in dit geval, wantrouw ik de ontwikkelingen compleet. Er bestaat op het gebied van afstoting door middel van commerciële verkoop zo ver ik weet geen ‘good practice’, en daarom moeten mensen als Stanley Bremer van het Wereldmuseum in Rotterdam worden gestopt: geen experimenten met geliefd en publiek verzameld erfgoed!

Aan afstoting door middel van ruil met andere musea of overdracht aan wellicht geschiktere culturele openbare instellingen kleven minder bezwaren en is, in tegenstelling tot commerciële verkoop, zoals mijnheer Bremer beoogt, wat mij betreft wel bespreekbaar.

Kijk eens naar de prachtige opstelling van maskers en andere tribale objecten in het nieuwe museum in Guimaraes (Portugal) mede mogelijk gemaakt door de gelijknamige kunstenaar (José de Guimaraes) en begunstiger, waarom kan zoiets niet in Rotterdam?

Als mijnheer Bremer zulke goede connecties heeft in de kunsthandel (NRC 12 januari 2013, p. 24-25), laat hij alsjeblieft dan daar emplooi zoeken en van ons en mijn erfgoed afblijven. En mag ik aannemen trouwens dat mijnheer Bremer minder dan de Balkenendenorm verdient? Laten we hem anders éérst op de veiling gooien, ben benieuwd wat dat opbrengt.

Paulus de Postkabouter, goede herinneringen aan Delft

Legermseum aan de Korte Geer te Delft, 1989 – 2013

In 2004 werkte ik in Delft op een duistere zolder van het Legermuseum aan de registratie van diverse objecten uit de mediatheek. Vaak maakte ik ’s middags een lunchwandeltje om wat daglicht en buitenlucht te vangen. Met regelmaat trof ik Paul de postbode, destijds alom bekend in het centrum van de stad. Op plekken waar ik mij tegen betaling liet bedienen kreeg hij de koffie gratis geserveerd. Zijn voornaam, formaat en functie bezorgden hem de bijnaam Paulus de Postkabouter. Postbodes gingen toen gekleed in rood en taupe.

Inmiddels is de post enkele malen van naam veranderd. Zowel professioneel -ik ben registratrut- als persoonlijk heb ik een hekel aan naamsveranderingen. Professioneel zijn naamsveranderingen vaak ingewikkeld en lastig bij te houden, persoonlijk vind ik ze getuigen van identiteitscrises, die mijns inziens doorgaans niet met een naamsverandering zijn op te lossen.

Paulus de Postkabouter ging met pensioen, al was hij daarna nog even weer actief als postbode, vanwege rare regels binnen het bedrijf die zijn vervroegde pensioen saboteerden. Het leek hem niet te deren, zijn wijk evenmin.

Binnenkort vertrekt het Legermuseum uit Delft en gaat naar Soesterberg. Jammer, want het voormalige armamentarium aan de Korte Geer is een uitgelezen plek voor het Legermuseum. Het museum zat er pas vanaf 1989 en een betere locatie is in mijn ogen voor een Legermuseum niet denkbaar.